Het edelhert komt vanaf het Midden-Pleistoceen vrijwel onafgebroken in ons land voor en is momenteel ons grootste inheemse landzoogdier. Het is een uiterst succesvolle soort, omdat hij kan overleven in verschillende habitats en aangepast is aan zowel warmere als koudere klimaatomstandigheden. Bij het succes van de soort speelt het feit dat het dier niet kieskeurig is wat voedselkeuze betreft een belangrijke rol. Edelherten voeden zich even graag met takken en bladeren als met gras. Ze hebben weliswaar een voorkeur voor bossen met open plekken, maar zijn - in tegenstelling tot bijvoorbeeld het damhert - niet verdwenen toen de bossen in de laatste ijstijd plaatsmaakten voor een koude en droge grassteppe. Het edelhert voelde zich dus evengoed thuis tussen wilde zwijnen en vossen in de eikenbossen van de interglacialen als tussen wolharige neushoorns en grottenleeuwen op de mammoetsteppe in de laatste ijstijd.
Het edelhert is een indrukwekkend dier, met vier vrij dunne poten, een krachtig gespierd lichaam, flinke oren en een fors gebouwd gewei. Vooral oude mannetjes zijn imposant als ze een kapitaal gewei dragen met twaalf of zelfs meer 'einden' en ze 'manen' in de nek ontwikkelen. Bokken hebben een kop-romplengte van 165-260 centimeter, kunnen een schouderhoogte tot wel 140 cm bereiken en dan tot 250 kilo wegen. Hinden zijn kleiner, lichter en geweiloos.
Het gewei bestaat uit een hoofdstang die zich splitst in meerdere zijstangen (enden). De einden van het gewei vormen samen de kroon. Het is anders van vorm dan het schoffelvormige gewei van het reuzenhert, dat in de laatste ijstijd samen met het edelhert voorkwam. Als we naar de verhouding tussen lichaam en gewei kijken is het gewei van het edelhert even groot als dat van het reuzenhert. Dat het gewei van het reuzenhert buitenproportioneel groot zou zijn is dus niet waar. Elk jaar werpt een bok zijn gewei af en moet het daarna opnieuw aanmaken. Aan het gewei is de gezondheid van het hert af te lezen. De bok gebruikt het bij het vechten, maar ook om in de bronsttijd indruk te maken op de hinden.
Het edelhert leeft bij voorkeur in gematigde tot iets warmere klimaten, maar is ook prima in staat om zich in koudere omstandigheden te handhaven. Dat wordt bewezen door fossielen die uit de laatste ijstijd dateren.
Edelherten zijn een herbivoor. Hij eet gras, bosbessen, heide, boombast, eikels en loof. De bokken leven doorgaans solitair. Alleen in paartijd zoeken zij gezelschap van hinden op. Met zijn bronstroep, het zogenaamde burlen, trekt een mannetje vrouwtjes aan, die hij in een harem verzamelt en verdedigt tegen concurrenten in soms hevige gevechten.
Het edelhert heeft een brede verspreiding. Het komt in Europa en Azië voor. Ook in het Pleistoceen was dat het geval. Sommige wetenschappers rekenen de Amerikaanse wapiti tot dezelfde soort als het edelhert, waarmee het dier dus een holarctische verspreiding zou krijgen. Edelherten zijn redelijk goede klimmers, die zich ook hoog in de bergen thuis voelen, tot net onder de boomgrens.
De oudste fossiele resten van het edelhert in Nederland zijn gevonden in de Belvédèregroeve bij Maastricht en dateren van 250.000 jaar geleden. Dit geeft aan dat het edelhert al vanaf het Midden-Pleistoceen in ons land voorkwam. Alleen in de extreem koude fases van het Saalien en het Weichselien verdween het edelhert tijdelijk. Niet verwonderlijk, want er heerste hier toen een poolklimaat waarin hooguit geharde dieren als rendier en muskusos zich staande konden houden.
De oorsprong van het edelhert is niet duidelijk. Het dier verschijnt aan het begin van het Midden-Pleistoceen en neemt dan de rol over van het groot Tegels hert, het grote hert van het Laat-Plioceen - Vroeg-Pleistoceen. De oudste vertegenwoordigers hebben een gewei zonder kroon. Deze worden gerekend tot de ondersoort coronatus. Dergelijke herten zijn in ons land niet gevonden.
De vroegste resten zijn gevonden in lössafzettingen in de Belvederegroeve bij Maastricht. Deze dateren uit het Midden-Pleistoceen. Ook in de Needse Berg bij Neede en in grindgroeven op de Utrechtse heuvelrug (onder andere Kwintelooijen bij Rhenen) zijn edelhertfossielen aangetroffen. Laat-Pleistocene resten worden vaak opgebaggerd in de zandzuiggaten langs de grote rivieren en met sleepnetten opgevist uit de Westerschelde en de Noordzee. Ook worden regelmatig mesolitische en neolitische werktuigen opgegraven die zijn gemaakt van geweien van het dier.
- Lars van den Hoek Ostende, Naturalis
Bode, A. D., R. Hoeve & E. Nauta, 1999. De zoogdieren van Overijssel: voorkomen, verspreiding en ecologie van de in het wild levende zoogdieren. - Waanders uitgeverij, Zwolle. 176p.
Groot Bruinderink, G. W. T. A. D. R. Lammertsma, A. T. Kuiters, A. J. Griffioen & H. Kuipers, 2005. Edelherten in de Gelderse Poort: haalbaarheidsstudie. - Alterra, Wageningen. 96p.
Hoorn, D. van den, 1996. Een koning in ballingschap: het edelhert in de twintigste eeuw. - Bosch en Keuning, De Bilt. 183p.