ZOEKEN

Geologie van Nederland
is een initiatief van

Vroeg-Pleistoceen

781.000 - 2,55 miljoen jaar geleden

Nederland in het Vroeg-Pleistoceen is warm en vochtig, bijna subtropisch. Vleugelnootbomen en wilde druiven, die in rivierbossen groeien, produceren een overvloed aan fruit. Een ideaal leefgebied waar bevers, herten en zwijnen zich thuis voelen. Zelfs makaken, verwanten van de magots die nu op de rots van Gibraltar toeristen vermaken, wisten de weg naar ons land te vinden. Dergelijke warme periodes vormden kortstondige intermezzo's tussen ijstijden waarin ijsbergen in de Noordzee ronddreven. Verslag van een woelig tijdperk.

De wereld van het Vroeg-Pleistoceen

Rond 2,6 miljoen jaar geleden, dus al voor het begin van het Pleistoceen, barstten de ijstijden los. Drie keer kort achter elkaar koelde het in onze omgeving enorm af. IJsbergen dreven tot in de Noordzee. Tussendoor en erna was het vrij warm en in sommige tussenijstijden (interglacialen) was er zelfs een uitgesproken warm klimaat. In dergelijke perioden konden warmteminnende planten en dieren hier gedijen. Vanuit Afrika kwam een invasie op gang van diersoorten van de savanne, zoals olifanten, neushoorns, nijlpaarden, leeuwen en hyena's. Ook de oermens verspreidde zich in die tijd vanuit bakermat Afrika naar Europa.

 

De kortstondige warme periodes van het Vroeg-Pleistoceen waren echter de uitzondering in een steeds kouder wordend tijdperk. Tijdens de opeenvolgende ijstijden (glacialen) vormden zich op de Noordpool ijskappen. Door terugkaatsing van zonnestralen versterkten deze de afkoeling. De sneeuwval nam toe, waardoor de ijskappen verder aangroeiden en langzamerhand hun effect op het klimaatsysteem over het hele noordelijk halfrond kregen. De ijskappen onderbraken ook de normale waterkringloop: de sneeuw bleef natuurlijk liggen en onttrok zo water aan de oceanen, waardoor de zeespiegel wereldwijd tot wel honderd meter daalde. Grote stukken land vielen droog en zo ontstonden nieuwe leefgebieden.

 

Aan de kou aangepaste organismen maakten hier dankbaar gebruik van. Wie niet tegen de kou kon, trok zich terug in zuidelijker gelegen refugia of stierf uit. Toch bestond het Pleistoceen, zoals hierboven al gezegd, niet uit een aaneengesloten koude periode. Tijdens de (warmere) interglacialen smolt het ijs van de poolkappen weer, rees de zeespiegel en kwamen warmteminnende dieren en planten terug.

Waar lag Nederland op de wereldbol?

Nederland lag op de huidige plek: aan de westrand van het Euraziatische continent en aan de zuidrand van de Noordzeegebied.

Nederland in het Vroeg-Pleistoceen

Tijdens het Vroeg-Pleistoceen was ons grondgebied deels zee en deels land. De Noordzee, die tijdens de eerste tussenijstijden nog een groot deel van ons land bedekte (tot ongeveer de lijn Breda-Arnhem-Deventer), trok zich steeds verder naar het noordwesten terug. Op het land kwamen in warme periodes bossen tot ontwikkeling, in koude periodes steppen en toendra's, waarop grote grazers overvloedig voedsel vonden. De Noordzee stond in die tijd nog niet via het Kanaal in verbinding met de Atlantische Oceaan. Rond 1,8 miljoen jaar geleden kwam ons land volledig in de greep van twee riviersystemen.

 

In feite was ons grondgebied één grote rivierdelta, vochtig en nat. In het zuiden wonnen Rijn en Maas aan invloed. In het noorden lag het Eridanossysteem, een riviersysteem dat zijn oorsprong had in het Baltisch gebied. Tijdens koude periodes was het land vrij kaal en waren rivierlopen vaak ongewis. Gedurende de warme intermezzo's meanderden de rivieren door het merendeels beboste land. Door erosie in de buitenbocht en afzetting van sediment in de binnenbocht werden de lussen steeds groter, tot de rivier zijn eigen lussen doorsneed. In en rond de hoefijzervormige dode rivierarmen die overbleven ontwikkelden zich rijke ecosystemen. In het stille water kon klei rustig bezinken. De dode rivierarmen waren ideale fossilisatieplekken voor planten en dieren. Bij Tegelen, in Midden-Limburg, is zo'n met klei gevuld meer opgegraven met daarin een compleet bewaard fossiel ecosysteem.

 

Door opheffing van het land sneed de Maas zich in de loop van het Vroeg-Pleistoceen sneller in de ondergrond en vormde hij zodoende rivierterrassen in Limburg en aangrenzende gebieden. Eerst liep de Maas iets oostelijk van de huidige loop, maar tijdens het Vroeg-Pleistoceen kwam hij meer westelijk te liggen. Rond een miljoen jaar geleden breidde het Eridanosriviersysteem zich voor de laatste keer uit. Erna namen Rijn en Maas het roer definitief over.

 

Het grootste deel van Noord-Brabant en het zuidelijke deel van het Groene Hart waren in het Vroeg-Pleistoceen een zandlandschap met kleinere rivieren en beken.

Klimaat

Het klimaat in het Vroeg-Pleistoceen bestond uit een opeenvolging van ijstijden en tussenijstijden. Een complete cyclus van een ijstijd en een tussenijstijd duurde ongeveer veertigduizend jaar. Zo'n cyclus werd veroorzaakt door periodieke veranderingen in de omloopbaan van de aarde. Als de aarde een langere elliptische baan beschreef en verder van de zon af kwam te staan, ontving de aarde minder zonnestraling en begon een ijstijd. Een nog iets schuinere stand van de aardas versterkte dit effect. Gebeurde het omgekeerde dan werd het weer warmer en ving een tussenijstijd aan. Er waren grote klimaatverschillen tussen verschillende ijstijden en tussen ijstijden onderling, maar de gemiddelde temperatuur in de warmste maand was relatief constant (rond 19 °C).

 

Tijdens de tussenijstijden waren de winters relatief zacht (gemiddelde temperatuur van de koudste maand lag rond het vriespunt). De winters in de ijstijden waren daarentegen zeer streng, met gemiddelde temperaturen van de koudste maand tussen de -8 en -21 °C. Tijdens de ijstijden was de zeespiegel lager en lag de zee dus 'verder weg'. Hierdoor heerste er in meer gebieden een continentaal klimaat. De verschillen in temperatuur en neerslag tussen de seizoenen waren groter en bovendien viel er gemiddeld minder neerslag. Sporen op de bodem van de Nederlandse Noordzee zijn getuigen van aan de grond gelopen ijsbergen. Aan het einde van het Vroeg-Pleistoceen werden de ijstijden kouder, waardoor er vaker permafrost optrad. De ijstijdcycli verschoven van 40.000 naar 100.000 jaar. De ijstijdintervallen werden langer en het klimaat werd daardoor in het algemeen kouder en droger.

Leven

Reconstructie van het vroeg-pleistocene landschap bij Tegelen.

Het zeeleven ontwikkelde zich in het Vroeg-Pleistoceen in twee episodes. Tijdens het Praetiglien (2,45-2,6 miljoen jaar geleden) waren de ijstijden koeler dan in het eropvolgende Tiglien. Tijdens de ijstijden leefde hier een vrij soortenrijke Arctische fauna, waarvan de schelpen nog terug te vinden zijn in onze ondergrond en soms aanspoelen op het strand in Zeeland. Tijdens de tussenijstijden leefde er een soortenrijke aan gematigde omstandigheden aangepaste fauna. Tussen 2,5 en 1,8 miljoen jaar, een tijdperk in Nederland aangeduid als Tiglien, was de zeefauna arm aan soorten. Naast vondsten van verschillende soorten zeezoogdieren die nog steeds voorkomen (onder andere vinvissen Balaenopteridae), zijn er veel skeletresten gevonden van de walrus Alachtherium. De weekdierfauna werd steeds meer gedomineerd door immigranten uit de Pacifische oceaan, zoals nonnetjes en chevronneuten.

 

Op het land kwamen tijdens tussenijstijden nog warmteminnende bosbewonende diersoorten voor, zoals makaken (apen), verschillende soorten herten en de zuidelijke mammoet. Ook leefden hier nog tapirs en mastodonten. Bijna alle warmteminnende soorten stierven in het loop van het Vroeg-Pleistoceen uit. Naast moderne plantensoorten, zoals eik, iep (Ulmus) en linde (Tilia), kwamen ook nog vleugelnoot en de gomboom voor. Tijdens de Vroeg-Pleistocene ijstijden was Nederland waarschijnlijk begroeid met taiga- tot toendravegetatie, waarin onder meer berken, grassen, zeggen, mossen en dennen voorkwamen.

 

Aan het einde van de Vroeg-Pleistoceen veranderde het dierenleven op het land drastisch. Deels kwam dat doordat soorten zich moesten aanpassen aan de veranderende omstandigheden, zoals de zuidelijke mammoet, die evolueerde tot de steppemammoet. Daarnaast deden nieuwe soorten hun intrede, zoals de wisent. Solitaire roofdiersoorten verdwenen ten gunste van roofdieren die in groepen jaagden, zoals leeuwen en gevlekte hyena's. Dit zijn typische jagers van de vlakte.

Afzettingen

Zowel zee als rivieren hadden grote invloed op ons land. Het is dus niet verwonderlijk dat in het Vroeg-Pleistoceen op grote schaal zeeafzettingen (klei en zand) en rivierafzettingen (zand, grind en klei) plaatsvonden.

 

De zee-afzettingen van het Vroeg-Pleistoceen worden gerekend tot de Formatie van Maassluis. Deze afzettingen vinden we op tientallen tot enkele honderden meters diepte in onze ondergrond ten noordwesten van de lijn Breda - Arnhem - Deventer. In het zuiden breidde de Maas zich uit, waarvan de afzettingen terug te vinden zijn in de Formatie van Beegden.

 

Deze en andere rivierafzettingen bestaan vooral uit zand en grind. In het oosten en zuiden van Nederland stroomde de Rijn, waarvan afzettingen terug te vinden zijn in de Formatie van Waalre. Uitlopers van het Eridanosriviersysteem bedekten de noordelijke helft van Nederland en zetten daar de Formatie van Peize af. Tussen de riviersystemen lagen kleinere zandlandschappen met beekdalen waarin de Formatie van Stamproy is afgezet. Hiertoe behoort ook de Klei van Tegelen, waarin zoveel fossielen uit het Vroeg-Pleistoceen zijn gevonden.

Wat is er aan het oppervlak nog te zien uit het Vroeg-Pleistoceen?

Vroeg-Pleistocene afzettingen aan het oppervlak vinden we vooral in Noord-Brabant en Limburg. In Limburg zijn duidelijk rivierterassen als trappen in het landschap zichtbaar, ook wel Maasterrassen genoemd. Het reliëf raakte door bedekking met löss in het Laat-Pleistoceen wel wat verdoezeld. De grindterrassen in zuidelijk Limburg rekenen we tot de Formatie van Beegden. Het verschil tussen de treden is soms wel 5-10 meter.

 

In een groot deel van Noord-Brabant en Noord-Limburg liggen Vroeg-Pleistocene rivierafzettingen aan het oppervlak. In Ossendrecht, ten zuiden van Bergen op Zoom, ligt de voormalige kalkzandsteengroeve Boudewijn, waarin estuariene zanden en kleien uit het Tiglien van de uzijn te zien. Lokaal zijn zandafzettingen van de Formatie van Peize terug te vinden in de stuwwallen van Midden-Nederland.

Delfstoffen

Grind uit de Limburgse terrassen, die tot vijftien meter dik zijn, is op lokale schaal gewonnen voor onder meer toepassingen in de bouw. Zand uit Vroeg-Pleistocene rivierafzettingen wordt op kleine schaal nog altijd in Noord-Limburg en Noord-Brabant gewonnen voor wegenbouw en de productie van kalkzandsteen, dat gebruikt wordt voor huizenbouw. In en rond Tegelen is al sinds de Romeinse tijd klei gewonnen voor de fabricage van bakstenen en dakpannen. De naam Tegelen is afgeleid van het Latijnse tegulae (dakpan).

 

Frank Wesselingh, Lars van den Hoek Ostende en Han van Konijnenburg, Naturalis