ZOEKEN

MEER LANDSCHAPSVORMEN

Bekijk alle landschapsvormen in het overzichtNaar overzicht»
Geologie van Nederland
is een initiatief van

Glaciaal bekken

Glaciale bekkens zijn laagten in het landschap omgeven door stuwwallen. De bekkens zijn gevormd tijdens de voorlaatste ijstijd, in het Saalien (150.000 jaar geleden), toen een enorme ijskap vanuit Scandinavië tot aan Nederland kwam. Het ijs duwde aan voor- en zijkanten de ondergrond op tot stuwwallen, zoals de Veluwe en de Utrechtse Heuvelrug. Op de plaatsen waar de bodem weggeduwd was, bleven laagten achter in het landschap: de glaciale bekkens. De bekkens konden wel 125 meter diep en kilometers breed zijn. Na verloop van tijd raakten de bekkens opgevuld met rivier- en zeeafzettingen, waardoor ze tegenwoordig nog maar deels te herkennen zijn. De Gelderse Vallei bijvoorbeeld is nu nog te zien als een brede laagte, omgeven door stuwwallen. Het bekken van Amsterdam ligt echter helemaal onder de grond.

Hoe ziet een glaciaal bekken eruit?

Glaciale bekkens zijn een soort kommen in het landschap, omgeven door stuwwallen. Het materiaal uit de bekkens is opgeduwd tot stuwwal. De bekkens hebben een langgerekte vorm en kunnen tientallen kilometers breed zijn en tot 125 meter diep. Op de bodem van de bekkens ligt plaatselijk een laag keileem, afgezet door het ijs dat de bekkens vormde. Na terugtrekking van het ijs zijn de bekkens opgevuld met klei, zand en grind dat van de stuwwallen afspoelde of in het ijs was meegevoerd.

Hoe is een glaciaal bekken ontstaan?

Glaciale Bekkens in Nederland. Zie de volgende afbeeldingen voor de doorsnede die van B naar B’ loopt.

Glaciale bekkens zijn gevormd tijdens de voorlaatste ijstijd, in het Saalien. De ijskap vanuit Scandinavië reikte tot in Nederland. Het ijs bewoog zicht voort met een snelheid van ongeveer honderdmeter per jaar.

 

Door de voorwaartse kracht van het ijs en door zijn gewicht werd de ondergrond onder zo'n gletsjer opzij en naar voren geduwd. De weggeduwde ondergrond vormde hoogtes die we stuwwallen noemen. Onder de gletsjer ontstond een laagte: het glaciale bekken, dat vervolgens nog dieper kon worden door erosie van smeltwater. Het smeltwater onder het ijs kwam onder grote druk te staan, zocht daarbij een uitgang onder de ijskap en nam bodemmateriaal mee.

Doorsnede van Nederland (van punt B naar B’ van de vorige afbeelding). De glaciale bekkens en stuwwal op de Veluwe zijn goed te zien.

Het karakter van de ondergrond bleek bepalend voor de uiteindelijke vorm van een bekken. Diepe bekkens ontstonden in een bodem met grofkorrelig zand, ondiepe bekkens in bodems van leem. In leemafzettingen, te vinden in Noord-Nederland, is de waterspanning tussen de poriën zeer groot. Daardoor kon het ijs minder grip op de onderliggende bodem krijgen en konden de gletsjers er gemakkelijker overheen schuiven. Het ijs had dus minder tijd om grote stukken bodem weg te duwen en het bekken uit te diepen. In grofkorrelige zandafzettingen daarentegen, zoals in het rivierengebied in Midden-Nederland, waar de waterspanning in de poriën minder groot was en de weerstand hoog, gleed het ijs langzamer en had dus meer tijd om diepe bekkens te vormen.

 

Vaak is er op de bodem van het bekken een laag keileem afgezet. In de loop van duizenden jaren zijn de bekkens opgevuld met klei en zand, meegevoerd door smeltwater, zee, rivieren en wind. Hierdoor zijn ze nu veel minder diep dan vlak na hun ontstaan.

Waar zijn glaciale bekkens te vinden?

Glaciale bekkens vinden we in gebieden waar stuwwallen zijn. Stuwwallen liggen in Oost-, Midden- en Noord-Nederland, ten noorden van de grote rivieren. Glaciale bekkens zijn te vinden onder Haarlem en Amsterdam (op een diepte van 125 meter beneden NAP), in de Gelderse Vallei, in het IJsseldal (ook op 125 meter beneden NAP),  ten oosten van Nijmegen en ten noordoosten van Emmen.

Een uitgelicht voorbeeld: de Gelderse vallei

De Gelderse vallei is een voormalig Maasdal dat door de ijskap is uitgeslepen tot een glaciaal bekken. De vallei ligt tussen de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Tijdens de Saalienijstijd gebruikte het ijs de laagte van het Maasdal als een voorgebaand pad voor zijn weg richting het zuiden. De Maas moest hierdoor zijn loop verleggen richting het westen. Het glaciale bekken is opgevuld met klei en zand nadat het ijs wegtrok. Het is echter wel altijd een lage, natte plaats gebleven.

 

- Anne Martens, Naturalis

Meer informatie

»

Beets, D. 2005 Van de kou van het Saalien naar de warmte van het Eemien: Klimaatgeschiedenis vastgelegd in de bodem. GEA, nr. 3, vol. 38, pag. 65-69

»

Berendsen, H.J.A. 2004. De vorming van het land. - Van Gorcum & Comp., Assen.

»

Gans, W. de 1991 Kwartairgeologie van West-Nederland. Grondboor & Hamer, nr. 5/6, vol. 45, pag. 103-114

»

Gans, W. de, 2006. ANWB Geologieboek Nederland. - ANWB, Den Haag. 

»

Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsema, I.L., Westerhoff, W.E. en T.E. Wong (red.) 2003. De ondergrond van Nederland. - Wolters-Noordhoff, Groningen.

»

Verhaard, L. 2007 Geologie van de voormalige keileemgroeves Hocht en Winterkampen bij Markelo, Grondboor & Hamer, nr. 3/4, vol. 61, pag. 91-95

Auteurs

  • Anne Martens

Meer landschapsvormen