ZOEKEN

MEER LANDSCHAPPEN

Bekijk alle landschappen in het overzichtNaar overzicht»
Geologie van Nederland
is een initiatief van

Rivierlandschap

Nederland is het afvoerputje van Europa. Voortdurend voeren rivieren zand, grind en ander erosiemateriaal aan uit verre berggebieden en alles wordt bij ons gedumpt. Laag op laag is zo het land ontstaan waarop we leven. Nederland is in feite een enorme rivierdelta. In het verleden was het meermaals één grote riviervlakte. Hierin stroomden woeste rivieren die ongehinderd hun bedding verlegden en overal zand- en grindbanken opruimden en weer opbouwden. Tegenwoordig is het rivierengebied beperkter van omvang en kabbelen Maas, Rijn en IJssel rustig voort, in bedwang gehouden door kribben en dijken. In de laatste decennia wordt in het kader van natuurontwikkeling geprobeerd om de rivieren meer te bevrijden uit het korset van dijken. Natuurlijke processen kunnen zo weer hun gang gaan.

Ligging van het rivierlandschap

Het huidige rivierengebied omvat de stroomgebieden van de Maas en de Rijn. De Rijn vertakt vrijwel direct na binnenkomst in ons land bij Lobith in een aantal grote rivieren, te weten de IJssel, de Nederrijn/Lek en de Waal. Het rivierengebied vormt een oost-westlopende zone die het noordelijke en zuidelijke zandgebied van elkaar scheidt. Naar het westen gaat het rivierengebied over in de kustzone.

Kenmerken en uiterlijk

Animatie rivierlandschap.

Als je in een luchtballon boven het rivierengebied vaart dan valt op dat het een erg plat landschap is dat doorsneden wordt door rivieren maar ook door langwerpige oude rivierlopen. Toch blijkt, bij nauwkeurig kijken,dat het bestaat uit een veelzijdig microreliëf. In de lengte naast de rivieren vinden we bijvoorbeeld oeverwallen. Dat zijn lage zandruggen van enkele tientallen tot honderden meters breed, die alleen bij zeer hoog water onderlopen. Achter de oeverwallen vind je laagtes, de zogenaamde kommen. Als er geen dijken zouden zijn, zouden deze vaak onder water staan. In de kommen lagen vroeger moerassen en nog steeds zijn het drassige gebieden. Op veel plekken in de komgebieden zijn toch weer oeverwallen te vinden. Deze lagen vroeger langs de rivier en zijn getuigen van het zich spontaan verleggen van de rivierlopen. Op sommige plekken duiken er in de komgebieden nog oude rivierduinen (donken) op. De mens heeft het uiterlijk van het rivierenland erg beïnvloed, maar de natuurlijke landschapselementen zijn vaak nog goed te herkennen.

 

Rivierlopen - Het opvallendste deel van het rivierlandschap zijn uiteraard de lange, meanderende rivierlopen zelf. De huidige vorm van de lopen ligt tegenwoordig, ondanks hun meanderende uiterlijk, vast tussen versterkte oevers en kribben (de dwarsliggende dijkjes in de rivier). Bij lage rivierstanden is er tussen de kribben tientallen kilometers zandstrand te vinden. Tijdens perioden van heftige regenval, en in het voorjaar als de sneeuw in Midden-Europa smelt, treden de rivierlopen buiten hun zomerbed en overstromen ze grote delen van de aangrenzende uiterwaarden.

 

Oeverwallen - Oeverwallen zijn langgerekte gebieden evenwijdig aan de rivierlopen. Ze zijn doorgaans tientallen tot honderden meters breed en steken iets boven het achterliggende land uit. Op de oeverwallen liggen de rivierdijken, de uiterwaarden en veelal oude dorpjes. Door hun lange bewoningsgeschiedenis, hun relatieve hoogte en de zandige samenstelling van de ondergrond zijn oeverwallen relatief afwisselende landschappen met onder meer akkers en boomgaarden. Overigens zijn er ook geïsoleerde oeverwallen in de achterliggende laagtes te vinden. Zij zijn getuigen van vroegere rivierlopen.

 

Kommen - Kommen zijn de laagtes achter de oeverwallen. Veelal zijn het vlakke stukken land die drassig zijn omdat ze laag liggen. Ze hebben een kleiige bodem. Vandaag de dag vind je er vooral weilanden en op verschillende plaatsen ook moerasbossen. In de kommen zijn nauwelijks dorpen en steden gebouwd.

 

Rivierduinen - Tegenwoordig vindt er maar zeer beperkt duinvorming plaats langs de grote rivieren, het twee meter hoge duin in de Millingerwaard bij Nijmegen daargelaten. In het verleden, toen de rivieren veel wilder waren en stroombeddingen regelmatig droog kwamen te liggen, werden er grote hoeveelheden zand uitgeblazen. Deze hebben duincomplexen aan de rand van de rivieren gevormd. Zo vinden we oude rivierduincomplexen op de oostelijke oever van de Maas in Noord-Limburg en rond Wijchen bij Nijmegen. Sommige van de duinen konden tot meer dan tien meter hoog worden. Toppen van rivierduinen (donken) zijn nog te vinden als lage heuveltjes in de komgebieden.

 

Dijken - Sinds de veertiende eeuw heeft de mens door de aanleg van dijken het huidige rivierenland helemaal naar zijn hand gezet. Dijken liggen vooral langs de rivieren, meestal midden op een oeverwal. Tussen de dijk en de rivierloop vinden we de uiterwaarden. In de kommen vinden we lagere dijken, die zijn aangelegd om de waterhuishouding te regelen. In het verleden waren dijken nog niet zo hoog en sterk als nu en kwamen er veelvuldig dijkdoorbraken voor. Deze hebben in het land zeer kenmerkende kolkgaten nagelaten. Kolkgaten zijn meertjes op een plaats waar water door een dijk heen stroomde en de bodem uitsleet.

 

Uiterwaarden - De gebieden tussen de rivierloop en de dijk noemen we uiterwaard. Uiterwaarden lopen meestal onder tijdens zeer hoog water. Het is een vrij afwisselend landschap met oude stroomruggen en geulen, maar ook met oude steenfabrieken, weilanden en 'nieuwe natuur'. Met name ooibossen, waarin populieren domineren, vinden we in de uiterwaarden. Voor deze bossen is periodieke overstroming geen enkel probleem.

 

Grindgaten - Grote littekens zijn het, de diepe, onnatuurlijke gevormde plassen. De grindgaten zijn de overblijfselen van grind- en zandwinning in het rivierengebied. Vandaag de dag zijn ze vooral in gebruik bij watersporters. Op sommige plekken, bijvoorbeeld bij Maasdriel, ziet het landschap er van boven uit als een gatenkaas.

Afbeeldingen

Processen en afzettingen

Verlande rivierarm van de Maas bij Keent, Noord-Brabant.

Het rivierenland is het gevormd door het stromende water van de rivieren en is vastgelegd door mensenhanden. Het stromende rivierwater vervoert klei, zand en grind. Komt het water tot rust, dan zinken deze materialen naar de bodem: het zware grind het eerst, dan zand en als laatste de lichte kleideeltjes. In het rivierengebied worden sedimenten voordurend afgezet en weer opgeruimd.

 

Nederlandse rivieren hebben een brede bedding die zich in grote bochten een weg door het landschap banen. De meanderende loop is het gevolg van het vlakke land met weinig hoogteverval. Rivieren stromen daardoor traag en krijgen in natuurlijkse situaties de kans om sterk in de breedte uit te dijen. In de buitenbochten stroomt het water sneller en kalft de oever af, in de binnenbochten is de stroomsnelheid juist lager en kunnen zand en klei bezinken. Daardoor verplaatsen de meanders zich constant en bochten ze uit in steeds grotere lussen. Uiteindelijk doorsnijdt de rivier zijn eigen lus. Terwijl de rivier via de sterk ingekorte route doorstroomt, blijft de lus als een dode rivierarm in het landschap achter. In zo'n dode rivierarm, die vaak de vorm heeft van een hoefijzer, staat het water stil. Bij hoogwater kan hij echter weer in contact komen met de rivier. Na verloop van tijd raakt een dode rivierarm opgevuld met sedimenten en verlandt. Mensen die binnen een afgesneden rivierarm leven, komen dan tijdelijk op een eiland te wonen. Een goed voorbeeld hiervan is het dorp Keent in Noord-Brabant, dat binnen een afgesneden meander van de Maas ligt.

 

De grofste sedimenten, bijvoorbeeld zand, worden in vrij sterk stromend water afgezet. We vinden zand veelal terug in/op de oeverwallen. Oeverwallen worden nog steeds gevormd en bevinden zich in de zone direct langs de rivier. Het zijn langgerekte zandige ruggen die door de rivier zelf worden opgeworpen tijdens overstromingen. Overstromingen brengen jaar op jaar nieuw zand aan, waardoor de oeverwallen steeds hoger groeien. Bij laagwater kan zand van de oeverstrandjes geblazen worden. De oeverwallen remmen de wind af waardoor deze het zand loslaat. Zo kunnen op de oeverwallen kleine rivierduintjes gevormd worden. Alles bij elkaar ontstaat zo een natuurlijk dijkje. Een rivier die zijn bedding verlegt kan de oeverwallen weer opruimen. Het zand belandt weer in de rivier en wordt gebruikt om elders nieuwe oeverwallen te maken. Veel oeverwallen ontsnappen echter aan dit lot. Ze blijven in het landschap liggen en werden al vroeg uitgekozen als ideale plekken om te wonen. Deze ‘stroomruggen,' zoals oeverwallen langs verdwenen rivierlopen worden genoemd, zijn de vroegstbewoonde delen van het rivierengebied.

In de laagst gelegen delen van het landschap, de kommen, bleef het water na een overstroming het langst staan. Hier konden kleideeltjes bezinken. De zware en taaie rivierklei die er is te vinden is slecht waterdoorlatend en daardoor ongeschikt voor de landbouw. Op de klei konden zich moerassen vormen die een veendek ontwikkelden op de klei.

 

Landschapsvormende processen uit ijstijden zijn maar mondjesmaat te zien in het huidige rivierengebied. Uitzondering daarop vormen rivierduincomplexen. IJstijdrivieren verlegden voortdurend hun bedding. Daardoor kwamen zandbanken droog te liggen. Stormachtige winden kregen vat op het losse zand en bliezen het uit de rivierbedding en hoopte het zich op tot duinen. Een goed voorbeeld van dergelijke rivierduinen is te vinden in het natuurgebied De Hamert in Noord-Limburg. Hier komen imposante tot 15 meter hoge rivierduinen voor.

Afzettingen van vlechtende rivieren uit de ijstijden kennen we ondermeer uit terrassen in Limburg, oude rivierbeddingen bij Nijmegen en opgestuwd in stuwwallen van Midden Nederland. De rivierafzettingen zijn grofzandig en grindig. Het gesteente in het grind zegt veel over de herkomst van het materiaal. Zo duidt jaspis op aanvoer uit het Midden-Rijn gebied en burnotconglomeraat op zuidelijke aanvoer uit de Ardennen. Er zijn zelfs gesteenten bij uit de Zwitserse Alpen.

Ontstaan van het rivierengebied

Het huidige rivierenland is vooral in het Holoceen, de laatste tienduizend jaar, ontstaan. Maar de geschiedenis van de Nederlandse rivieren gaat miljoenen jaren terug.

 

De moderne Rijn en Maas zijn in de laatste drie miljoen jaar ontstaan. Tijdens de opkomst van de Rijn en Maas maakte het noorden van Nederland onderdeel uit van een veel groter systeem, dat van de Eridanosrivier. Dat riviersysteem bouwde sinds zo'n twintig miljoen jaar geleden zijn delta's vanuit het huidige Denemarken uit in de Noordzee. De rivier bestreek bijna heel Scandinavië en een deel van noordelijk Centraal-Europa. Zo rond een miljoen jaar geleden was het gedaan met deze reusachtige rivier.

 

In de afgelopen twee en een half miljoen jaar wisselden ijstijden en tussenijstijden elkaar af. De riviersystemen in de warme periodes (zoals nu) verschilden aanzienlijk van die in de ijstijden. Tijdens ijstijden was er sprake van grote neerslagverschillen gedurende het jaar. In het voorjaar kwam er bijvoorbeeld heel veel smeltwater vrij. Het stroomgebied van de rivieren was schaars begroeid. Hierdoor konden bodems gemakkelijk door het water worden meegevoerd (geërodeerd). De bergen in het achterland leverden aldus grote hoeveelheden puin aan de rivieren, die bij ons als zand of grind terecht zijn gekomen. Er ontstonden verwilderde of vlechtende riviersystemen, waarin veel ondiepe en uitwaaierende rivierlopen lagen die voortdurend in beweging waren. De resten van deze vlechtende riviersystemen vinden we terug in grofzandige en grindige rivierafzettingen die in de ondergrond van grote delen van Nederland voorkomen. Doordat tijdens ijstijden de zeespiegel lager lag dan tegenwoordig, konden rivieren in Nederland zich ook nog eens insnijden. Twee keer bereikten gletsjers vanuit Scandinavië ons land en werden rivierlopen gedwongen naar het westen af te buigen.

 

Gletsjers die in de voorlaatste ijstijd (Saalien, honderdvijftigduizend jaar geleden) tot halverwege ons land oprukten, hebben grote invloed gehad op de loop van onze rivieren. De traag voortschuivende landijsmassa's duwden een serie stuwwallen op. De Utrechtse Heuvelrug, de Veluwe, het Rijk van Nijmegen en het Montferland vormden een muur die de Rijn en Maas naar het westen dwongen. Pas later brak de IJssel door de Gelderse stuwwallen ter hoogte van Arnhem en vormt sindsdien de noordelijke Rijntak.

 

Doordat tijdens koudere periodes rivieren hun loop steeds verlegden, kwamen oude rivierbeddingen vaak droog te liggen. De combinatie van schaarse of ontbrekende begroeiing en harde poolwinden zorgden voor de vorming van rivierduinen.

In de warmere tussenijstijden varieerde de waterstand tussen de seizoenen minder dan tijdens de ijsstijden. Door de begroeiing van het stroomgebied werd er dus ook minder materiaal geërodeerd. Door de opwarming van het klimaat smolten de polaire ijskappen, waardoor de zeespiegel steeg. Hoogteverschillen in het rivierenland werden daardoor kleiner. In dergelijke periodes kregen rivieren een meanderend karakter en meanderende rivieren verleggen vaker hun loop.

 

Pas in de laatste duizend jaar heeft de mens de rivierlopen vastgelegd in een systeem van dijken en kribben. De grootschalige dijkaanleg is in de veertiende eeuw begonnen. Eerst bracht men vlak langs de oever een lage wal aan, de zogenaamde zomerdijk, die overstroming van achterliggende weide- en hooilanden moest voorkomen. In het voorjaar kon de aanvoer van smelt- en regenwater voor hoge rivierstanden zorgen. Om overstromingen tegen te gaan werden veel hogere winterdijken (ook wel bandijken genoemd) aangelegd. Vroeger waren de dijken nog niet zo stevig als nu. In de winter kwam het soms voor dat een dijk doorbrak door opstuwing van kruiend ijs. Het rivierwater golfde dan met kracht door de dijk en sleet erachter een diep kolkgat uit. Later werd de dijk hersteld, maar bleef een litteken in de vorm van een kolkgat, ook wel wiel of waaij genoemd, over.

Landgebruik

Het rivierengebied heeft veelal vruchtbare bodems die liggen op nutriëntrijke rivierafzettingen. Stroomruggen werden al in de prehistorie bewoond en gebruikt als akkergrond. Veel akkercomplexen op de stroomruggen zijn inmiddels beplant met fruitbomen. In de periode 1960-1970 nam de fruitteelt af, werden veel hoogstamboomgaarden gerooid en kwam er grasland voor in de plaats. Vanaf 1980 bloeide de fruitteelt weer op door de aanleg van laagstamboomgaarden.

 

In de kommen lagen weilanden, hooilanden en wilgengrienden. Komgebieden zijn over het algemeen ongeschikt voor akkerbouw vanwege de natte bodem. Ook is de taaie klei lastig te bewerken en is het ontbreken van kalk ongunstig. Toch is hierin de laatste decennia verandering gekomen, door een steeds diepere ontwatering van de komgebieden en door verbeterde bemestingsmethoden. Tuinbouw vindt ook plaats in het rivierengebied, met name op de overslaggronden. Dit zijn gronden die gevormd zijn door dijkdoorbraken. Hier komen bodemtypen voor die vaak bestaan uit een grofzandig dek op een kleiige ondergrond.

 

Het rivierengebied vormt een belangrijke bron van delfstoffen. Klei uit de uiterwaarden en komgronden wordt gebruikt voor de productie van baksteen. Vroeger werd de klei met de hand afgegraven, tegenwoordig gebeurt dit met graafmachines. De kleiwinning vindt vooral plaats langs Rijn, Waal en IJssel. Naast klei wordt er ook zand en grind gewonnen. Zand wordt gebruikt om beton en kalkzandsteen van te maken. Daarnaast wordt het gebruikt als ophoogzand bij de aanleg van wegen en woonwijken. Rivierzandkorrels hebben een hoekige vorm, in tegenstelling tot Noordzeezand, dat meer ronder is. Door hun hoekige vorm kunnen rivierzandkorrels zeer dicht op elkaar ‘plakken'. Daardoor is dit type zand geschikt als vormzand voor ijzergieterijen en voor het modelleren van zandsculpturen. Grind wordt gebruikt in beton, voor stoeptegels en voor grindpaden. Beide grondstoffen worden gewonnen met behulp van baggermolens en zandzuigers. Samen met het zand en grind komen veel fossielen van zoogdieren boven die vroeger in het rivierengebied hebben geleefd, zoals de mammoet en de wolharige neushoorn. De grootste steenbrokken zijn niet bruikbaar voor de industrie en worden op de kant achtergelaten. Daar vormen zij een goudmijn voor fossielenzoekers, vanwege de botten en zwerfsteenfossielen die tussen de keien zitten.

Afbeeldingen

Een voorbeeld van het rivierengebied: de Gelderse Poort

Het oorspronkelijke rivierenlandschap is in Nederland nergens meer te vinden, maar dankzij de ontwikkeling van 'nieuwe natuur' ontstaan op verschillende plekken wel weer oorspronkelijke landschappen. Een goede plek om een dergelijk natuurlijk rivierenlandschap te zien is de Gelderse Poort, het rivierengebied van Rijn en Waal oostelijk van de lijn Nijmegen-Zevenaar. De Gelderse Poort ligt ingeklemd tussen de stuwwallen van het Rijk van Nijmegen in het zuiden, het Montferland in het noordoosten en de Veluwezoom in het noordwesten. Belangrijke gebieden zijn de Ooijpolder en Millingerwaard ten oosten van Nijmegen en het Rijnstrangengebied bij Zevenaar. Dit laatste gebied is bijzonder omdat het aanwezige reliëf de ontwikkeling van het landschap door de Rijn goed zichtbaar maakt.

 

Wie de vormende krachten van de rivier aan het werk wil zien, kan het beste een bezoek brengen aan de Millingerwaard, langs de Waal bij Millingen. Hier probeert men de levende rivier te herstellen. De zomerdijk is weggehaald, waardoor de rivier weer zijn eigen loop kan zoeken. De deklaag van klei is gedeeltelijk weggegraven. Het is de bedoeling dat het water hier weer gaat stromen en de rivier dus allerlei nevengeulen krijgt. De situatie waarin onze rivieren in slechts één nauwe bedding worden gedwongen is onnatuurlijk. Langs de nieuwgevormde geulen kunnen weer zogenaamde natte bossen of ooibossen gaan groeien, met eiken en zwarte populieren. Ook kunnen er weer bevers leven. Geen ander dier is zo goed aangepast aan de natte en voortdurend wisselende omstandigheden in het rivierenlandschap. Beverfossielen zijn opgebaggerd bij Kekerdom, in de Millingerwaard. Ze bewijzen dat deze dieren hier al sinds het begin van het Holoceen leven. Als vaste bewoners van het rivierengebied hebben ze heel wat water voorbij zien stromen.

 

- Paul Haring, Frank Wesselingh & Hansjorg Ahrens, Naturalis 

Meer informatie

»

Beusekom, E.J. van 2007. Bewogen aarde. Aardkundig erfgoed in Nederland. - Matrijs, Utrecht.

»

Busschers, F.S., H.J.T. Weerts, J. Wallinga, C. Kasse, P. Cleveringa, H. de Wolf & K.M. Cohen 2005. Sedimentary architecture and optical dating of Middle and Late Pleistocene Rhine-Meuse deposits - fluvial response to climate change, sea-level fluctuation and glaciation. - Netherlands Journal of Geosciences / Geologie en Mijnbouw 84(1): 25-41. PDF

»

Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong 2003. De ondergrond van Nederland. - Wolters-Noordhoff, Groningen.

Auteurs

  • Paul Haring
  • Frank Wesselingh
  • Hansjorg Ahrens

Meer landschappen