ZOEKEN

MEER GEOLOGISCHE LOCATIES

Bekijk alle geologische locaties in het overzichtNaar overzicht»

DWARSDOORSNEDEN

In Google Maps

Maak een doorsnede»

FOSSIELVONDSTEN

Fossielen op de kaart van Nederland

Bekijk de kaart»
Geologie van Nederland
is een initiatief van

De Lange en de Korte Duinen bij Soest

De Lange Duinen en de Korte Duinen vormen een stuifzandgebied nabij Soest. Het is het tweede Aardkundige Monument van Nederland, waarbij dit keer niet zozeer gekozen is voor een aardkundig object of patroon, maar voor een aardkundig proces: verstuiving. Er zijn niet veel terreintypen waar aardkundige processen zo duidelijk zichtbaar plaatsvinden als in een stuifzandgebied. Oude terreinvormen worden er afgebroken en nieuwe ontstaan.

Waar ligt het?

Lange (links) en Korte Duinen (rechts), ten zuiden van Soest.

De Lange Duinen en de Korte Duinen liggen tussen Soest en Amersfoort, in het zuiden van gemeente Soest. De Lange Duinen zijn via verschillende ingangen toegankelijk. De ingang aan het einde van de Foekenlaan in Soest, vlak bij de spoorwegovergang, heeft ruime parkeermogelijkheden. De Korte Duinen zijn wat lastiger te bereiken: alleen via de Hofslottersteeg, een smal zijweggetje van de N221. De stuifzandgebieden zijn vrij toegankelijk. Vanaf het parkeerterrein aan de Foekenlaan is het minder dan honderd meter lopen.

Wat is er te zien?

Eerst zie je een gigantische 'zandbak', omringd door dennen, maar wanneer je beter kijkt ontdek je allerlei kleinere vormen, vooral kale uitgestrekte laagten en veelal begroeide hogere duinen. In het lichtgekleurde zand van de duinen komen soms zwarte of bruine lagen voor. Dat zijn oude bodems. Op de vers gevormde duintjes proberen pioniers als zandzegge het zand vast te leggen. De oudere duinen worden vaak 'bekroond' met vliegdennen. In de lucht zwevende boomwortels laten zien dat het zand tussen de wortels is weggeblazen. Misschien wat verrassend voor een stuifzandgebied is dat er in de winter soms plasjes liggen.

Hoe is het ontstaan?

Het zand van de duinen stamt uit de laatste ijstijd. In de voorlaatste ijstijd, het Saalien, zijn de stuwwallen gevormd, zoals de Utrechtse Heuvelrug, het Gooi en de tussenliggende geïsoleerde stuwwalheuvels van Baarn, Soest en de Lage Vuursche. In de laatste ijstijd, het Weichselien, kwam het landijs niet in Nederland, maar was het wel zeer koud. Er lag veel zand in de riviervlaktes en op de drooggevallen Noordzeebodem. Door de strenge koude was de begroeiing schaars en kreeg de wind gemakkelijk vat op het droge zand. De overheersende westenwinden transporteerden het zand massaal landinwaarts en legde het daar als een deken over het bestaande landschap heen. Het zand wordt daarom dekzand genoemd.

 

Rondom de stuwwallen ligt dit dekzand nog steeds aan de oppervlakte. In de laatste ruim 11.000 jaar is het klimaat in ons land aanzienlijk warmer geworden. De begroeiing werd dichter, waardoor massaal zandtransport niet meer mogelijk was. Ook de schrale zandgronden van de stuwwal en het omzomende dekzand raakten geleidelijk aan begroeid. In de middeleeuwen waren de hogere, veelal beboste, zandgronden bij de boeren in gebruik. Hier konden ze hun schapen laten grazen. De mest van de schapen maakte het mogelijk om de akkers vruchtbaar te maken. Het bos veranderde door de schaapskudden geleidelijk in een heidelandschap. Door het steken van plaggen op de heide voor de schaapskooien en door overbeweiding kwamen flinke stukken zand kaal te liggen.

 

Het dekzand begon plaatselijk te verstuiven. Uiteindelijk is daardoor op de hogere en drogere dekzandgronden, direct onderlangs de stuwwallen, een vrijwel aaneengesloten zone van stuifzanden ontstaan. Terwijl het dekzand over zeer uitgestrekte gebieden is afgezet, heeft het stuifzand een meer lokaal karakter omdat het over kleinere afstanden is verplaatst. De hoogteverschillen in een stuifzandgebied zijn groter dan in het meer golvende dekzandlandschap.

 

In de uitgestrekte laagten tussen de duinen is het zand weggeblazen. Het wegblazen is pas gestopt toen het zand nat werd, bijvoorbeeld omdat het water niet weg kon zakken vanwege een onderliggende ondoordringbare laag. Hierdoor ontstonden er vroeger moerassige omstandigheden, waarin veenvorming kon opgetreden. Soms wordt zo'n begraven veenbodem weer indirect zichtbaar, doordat er tijdelijk water aan het oppervlak blijft staan. Er is dan sprake van een schijngrondwaterspiegel: dit noemen we zo omdat het echte grondwater veel dieper zit. Uiteraard komt in nat zand een einde aan de verstuiving en onder die omstandigheden kunnen meerdere plantensoorten zich handhaven of vestigen.

 

Dan zijn er ook de zogenaamde forten. Een fort is een oorspronkelijk wat lager gelegen plek in het dekzandlandschap. Op deze lagere plek was het wat natter en dichter begroeid, waardoor het zand werd vastgehouden. De omringende, hogere en drogere, delen werden kaalgevreten door bijvoorbeeld schapen, waardoor de wind vat kreeg op het zand. Als de beschermende bodem van plantenwortels eenmaal was vernietigd, kon de wind daar eenvoudig het zand wegblazen. Het resultaat is tegenwoordig dat het fort uittorent boven de weggeblazen omgeving. Veelal zijn de forten begroeid met schilderachtige vliegdennen. Soms zijn de stammen helemaal 'ingesneeuwd', terwijl elders wortels in de lucht 'zweven'. Ze getuigen ervan dat het zand eerst opgestoven en uiteindelijk weer weggeblazen is. Boringen in het zand laten zien hoe complex de bodemopbouw in een stuifzandgebied is geworden.

Foto's Lange Duinen

Laat maar waaien!

In het project 'Laat maar waaien' heeft provincie Utrecht het rooien en uitdunnen van enkele begroeide terreingedeelten gesubsidieerd, om zo het zand meer kans te geven om te verstuiven. Jan Tupker, al vele jaren de beheerder van de Lange Duinen en de Korte Duinen, is een groot liefhebber van het verstuivingsproces. Hij is al jaren creatief bezig om extra mogelijkheden te scheppen voor het verstuiven. Dat doet hij op verschillende manieren. Als de begroeiing toeneemt worden de mogelijkheden voor verstuiving beperkt. Om het verstuiven weer op gang te brengen zeeft hij de vegetatie uit het losgemaakte zand, gaat de bodem plaggen of de opgaande begroeiing verwijderen.

 

Het blijft natuurlijk jammer dat zo'n krachtdadig man steeds veel energie moet steken in het behoedzaam omgaan met volstrekt verouderde wetgeving, zoals de Boswet, die het rooien van bomen en het verwijderen van de begroeiing verbied of erg moeilijk maakt. Hoewel de status als Aardkundig Monument een gunstige uitwerking op het beheer en onderhoud van het gebied heeft, ontbreken gerichte aardkundige voorlichting en excursies nog steeds. Hierdoor heeft de bezoeker van het stuifzandgebied, ondanks het informatiepaneel op het parkeerterrein, nauwelijks het idee dat hij zich op een aardkundig monument begeeft en dat hij er nog op mag stampen ook. Graag zelfs!

 

- Wim Hoogendoorn (overgenomen uit Grondboor & Hamer, bewerking: Rieks van der Straaten)

Auteurs

  • Wim Hoogendoorn
  • Rieks van der Straaten

Meer geologische locaties