ZOEKEN

MEER ZOOGDIER REGISTER

Bekijk alle zoogdier register in het overzichtNaar overzicht»

DWARSDOORSNEDEN

In Google Maps

Maak een doorsnede»

FOSSIELVONDSTEN

Fossielen op de kaart van Nederland

Bekijk de kaart»
Geologie van Nederland
is een initiatief van

Lutra lutra (Linnaeus, 1758)

Taxonomie

Klasse
Mammalia
Orde
Carnivora
Familie
Mustelidae
Geslacht
Lutra
Soort
Lutra lutra (Linnaeus, 1758)

Voorkomen

Otter.
Dat de otter al voorkwam in het Holoceen van Nederland is duidelijk. De vorige eeuw kwam deze soort nog algemeen in ons land voor (Van Veen & Broekhuizen , 1992). De vraag is echter of deze soort hier ook al tijdens het Pleistoceen leefde. De oudste gedateerde overblijfselen van otters in ons land stammen uit het Holoceen en gaan tot 6000-3000 jaar terug (Clason, 1984). Willemsen (1992) suggereert dat de otter hier alleen tijdens het Holoceen voorkwam. Hij baseerde deze uitspraak op materiaal van deze soort van Ellewoutsdijk, Kapel-Avezaath (Foto 5-6) en verschillende fossielen van de Maasvlakte. Die laatsten werden ook door Van Kolfschoten en Vervoort-Kerkhoff (1999) tot de Holocene vondsten gerekend. Ook Van Kolfschoten en Laban (1995) geven in hun overzicht van de verschillende diersoorten van de bodem van de Noordzee aan dat Lutra lutra in het Holoceen thuishoort. Kortenbout van der Sluijs (1970-71) sluit echter in zijn overzicht van de Noordzee fossielen een Pleistocene ouderdom niet uit. Hij kende de otter vermoedelijk alleen van een opperarmbeen in de collecties van Naturalis (RGM 132937).

 

Dit bot was gevonden in de omgeving van de Bruine Bank. Eind 1995 werd door de heer J. Rot van de kotter SL 3 een rechter scheenbeen van een otter opgevist uit het Deep Water Channel. Dit fossiel bevindt zich in de collectie van K. Tanis in Stellendam (nummer 583). De manier van fossilisatie komt overeen met die van overblijfselen van andere dieren die in het Pleistoceen geplaatst worden. Op basis van de mineralisatiegraad lijkt ook het tiental otterresten dat verzameld is op het strand van Kijkduin bij Den Haag eerder in het Pleistoceen dan in het Holoceen geplaatst te moeten worden. Deze fossielen komen uit sediment dat enkele kilometers uit de kust voor Scheveningen is opgebaggerd voor een suppletie van het strand. Uit dit sediment is, naast de otterresten, tevens een aantal resten van Laat Pleistocene soorten met een vergelijkbare kleur en mineralisatie gevonden. De otterfossielen van Kijkduin maken deel uit van de collectie van de heer J. Broos te Eenrum.

 

Ook de vondsten van de zuigput bij Maren-Kessel (Boscha Erdbrink, 1983c) doen vermoeden dat Lutra lutra al in het Laat Pleistoceen aanwezig was. Een onderkaak uit de verzameling A. Verhagen heeft blauwe kiezen. Deze verkleuring vinden we ook bij de gebitselementen van wolharige neushoorns, reuzenherten en andere grote dieren van dezelfde vindplaats, terwijl de Holocene fauna-elementen veelal wit tot beige van kleur zijn. Helaas zijn al deze voorbeelden gebaseerd op materiaal dat niet in stratigrafisch verband gevonden is. De bovengenoemde voorbeelden maken het echter op zijn minst waarschijnlijk dat de otter al in het Pleistoceen in ons land aanwezig was.

Mol en Van der Plicht (2012) beschrijven de vele otterresten die zijn opgeraapt van de stranden tussen Hoek van Holland en Kijkduin. De resten zijn gevonden in Noordzeezand waarmee de stranden zijn versterkt. Zij concluderen dat de Nederlandse otterfossielen een mix zijn van Pleistoceen en Holoceen. Een fraaie schedel die is opgevist uit de Eurogeul, is door hen gedateerd op 9000 jaar.

Bijzonderheden

Schedel uit de Eurogeul.

De otter is een waterdier en leeft voornamelijk van vis. De aanpassingen aan het zwemmen komen duidelijk naar voren in de bouw van de long, het cilindrische lichaam, de korte poten, de krachtige staart en de afgeplatte kop. Hij zwemt door kromming van lichaam en staart, maar kan zich op land ook goed voortbewegen. Het verspreidingsgebied omvat geheel Eurazië, inclusief Indo Malaysia tot Java aan toe. Volgens Willemsen (1992) verschijnt de otter pas in het Holoceen in Europa als een Aziatische immigrant. In de literatuur wordt echter vaak de aanwezigheid van de otter in de travertijnen van Weimar (Eemien) als eerste voorkomen van Lutra lutra opgegeven. Deze melding is echter gebaseerd op oude literatuur (e.g. Soergel, 1926). Helaas is echter niet bekend waar deze fossielen zich bevinden (Hemmer, 1977). En omdat in dezelfde vindplaats ook de vingerotter Aonyx gevonden is (Heinrich & Fejfar, 1988), is de melding enigszins verdacht. Laat Pleistocene otters worden gemeld uit Hongarije (Janossy, 1986) en Noorwegen (Larsen et al., 1987), maar werden door Willemsen genegeerd omdat hij de determinatie niet kon verifiëren.


Uit het Midden Pleistoceen zijn wel otterfossielen bekend, maar deze horen tot een andere soort, Lutra simplicidens. Omdat deze otter nog sterker aan een aquatische levenswijze was aangepast dan de recente soort, is het onwaarschijnlijk dat L. simplicidens een voorouder is van L. lutra (Willemsen, 1992).

Referenties

  • Bosscha Erdbrink, D.P. 1983c Fossil otters and a fossil cat from flatlands of the Lower Meuse.- Lutra 26 (1): 46-53.
  • Clason, A.T. 1984 Enkele subfossiele vondsten van de otter Lutra lutra in Nederland.- Lutra 27 (1): 46-53.
  • Heinrich, W-D. & O. Fejfar 1988 Neue Funden von Lutrinen (Mammalia: Carnivora) aus bem Pleistozäns Thüringens. - Zeitschrift für Geologische Wissenschaften 16 (6): 515-529.
  • Hemmer, H. 1977 Die Carnivorenreste (mit Ausnahme der Hyänen und Bären) aus dem jungpleistozänen Travertin von Taubach bei Weimar. - Quartärpaläontologie 2: 379-387.
  • Janossy, D. 1986 Pleistocene vertebrate faunas of Hungary - Elsevier/Akadémiai Kiadó, Budapest: 1-208.
  • Kolfschoten, T. van & C. Laban 1995 Pleistocene terrestrial mammal faunas from the North Sea.- Mededelingen Rijks Geologische Dienst 52: 135-151.
  • Kolfschoten, T. van & Y. Vervoort-Kerkhoff 1999 The Pleistocene and Holocene mammalian assemblages from the Maasvlakte near Rotterdam (the Netherlands), with special reference to the Ovibovini Soergelia minor and Praeovibos cf. priscus. - in: Reumer, J.W.F. & J. de Vos (eds.) Elephants have a snorkel! Papers in honour of Paul Y. Sondaar. Deinsea 7: 369-382.
  • Kortenbout van der Sluijs, G. 1970-1971 Bones of mammals from the brown Bank area (North Sea).- appendix in: Louwe Kooijmans, L.P., 1970-1971. Mesolithic Bone and Antler Implements from the North Sea and from the Netherlands.- Berichten van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, 20-21: 69-70.
  • Larsen, E, S. Gulliksen, S.-E. Lauritzen, R. Lie, R. Løvie & J. Mangerud 1987 Cave stratigraphy in western Norway; multiple Weichselian glaciations and interstadial vertebrate fauna - Boreas 16: 267-292.
  • Mol, D. en H. van der Plicht 2012 Fossiele otters uit het Noordzeebekken dateren van ca. 9000 jaar geleden. - Straatgras 24 (1): 3-5.
  • Soergel, W. 1926 Der Fischotter aus den Kiesen von Süßenborn. - Beiträge zur Geologie von Thüringen 2: 35-38.
  • Veen, J. van & S. Broekhuizen 1992 Otter, Lutra lutra. - In: S. Broekhuizen, B. Hoekstra, V. van Laar, C. Smeenk & J.B.M Thissen (eds.) Atlas van de Nederlandse Zoogdieren: 178-184. KNNV Uitgeverij.
  • Willemsen, G.F. 1984c Europese otters door de tijden heen.- Lutra 27 (1): 11-18.
  • Willemsen, G.F. 1992 A revision of the Pliocene and Quaternary Lutrinae from Europe.- Scripta Geologica 101: 1-115.

Meer zoogdier register

Alces alces (Linnaeus, 1758)
Alces gallicus (Azzaroli, 1952)/Alces latifrons (Johnson, 1874)
Alopex lagopus (Linnaeus, 1758) en Vulpes vulpes (Linnaeus, 1758)
Anancus arvernensis (Croizet & Jobert, 1828)
Aonyx antiquus (De Blainville, 1841)
Arvicola
Bison menneri Sher, 1997
Bison priscus Bojanus, 1827
Bos primigenius Bojanus, 1827
Bubalus murrensis (Berckhemer, 1927)
Canis etruscus Forsyth Major, 1877
Canis lupus Linnaeus, 1758
Capra ibex Linnaeus, 1758
Capreolus capreolus (Linnaeus, 1758)
Castor fiber Linnaeus, 1758
Cervus elaphus Linnaeus, 1758
Cervus rhenanus Dubois, 1904
Chalicotherium sp.
Coelodonta antiquitatis (Blumenbach, 1799)
Crocuta crocuta spelaea (Goldfuss, 1810)
Dama dama (Linnaeus, 1758)
Desmaninae uit het Pleistoceen
Eekhoorns uit het Pleistoceen
Elephas antiquus
Enhydrictis ardea (Bravard, 1828)
Equus caballus Linnaeus, 1758
Equus hemionus Pallas, 1775
Equus hydruntinus Regalia, 1907
Equus major Boule, 1927
Erinaceidae uit het Pleistoceen
Eucladoceros ctenoides (Nesti, 1841)
Gazella deperdita (Gervais, 1847)
Gewone mol uit het Pleistoceen
Gulo schlosseri Kormos, 1914
Hamsters en springmuizen uit het Pleistoceen
Hipparion sp.
Hippopotamus amphibius Linnaeus, 1758
Homo sapiens Linnaeus, 1758
Homotherium latidens Owen, 1846
Hyaena brevirostris Aymard, 1846
Hyaena perrieri Croizet & Jobert, 1828
Hystrix refossa Gervais, 1852
Lagomorpha uit het Pleistoceen
Lemmingen uit het Pleistoceen
Leptobos elatus (Pomel, 1853 ex Croizet)
Lynx lynx (Linnaeus, 1758)
Macaca sylvanus florentina (Cocchi, 1872)
Mammut borsoni (Hays, 1834)
Mammuthus meridionalis (Nesti, 1825)
Mammuthus primigenius
Mammuthus trogontherii
Megaloceros dawkinsi (Newton, 1882) en Megaloceros savini (Dawkins, 1887)
Megaloceros giganteus (Blumenbach, 1808)
Meles meles (Linnaeus, 1758)
Microtus
Mimomys
Muizen uit het Pleistoceen
Oerhermelijn, wezel en bunzing
Ovibos moschatus (Zimmermann, 1780)
Panthera gombaszoegensis Kretzoi, 1938
Panthera leo spelaea (Goldfuss, 1810)
Panthera pardus (Linnaeus, 1758)
Praeovibos priscus Staudinger, 1908
Rangifer tarandus (Linnaeus, 1758)
Rosse woelmuis uit het Pleistoceen
Slaapmuizen
Soergelia minor Moyà-Solà, 1987
Spitsmuizen uit het Pleistoceen
Stephanorhinus etruscus (Falconer, 1868)
Stephanorhinus hemitoechus (Falconer, 1868)
Stephanorhinus kirchbergensis (Jäger, 1839)
Sus scrofa Linnaeus, 1758
Sus strozzii Meneghini; Forsyth Major, 1881
Tapirus arvernensis Croizet & Jobert, 1828
Trogontherium cuvieri Fischer von Waldheim, 1809
Ungaromys
Ursus arctos Linnaeus, 1758 & U. deningeri Von Reichenau, 1904
Ursus etruscus Cuvier, 1823
Ursus spelaeus Rosenmüller & Heinroth, 1794
Woelmuizen uit het Pleistoceen