De afgelopen vijftig jaar zijn er in de Zeeuwse stromen Westerschelde en Oosterschelde grote hoeveelheden fossielen opgevist. Het vissen naar fossielen is een unieke traditie in Zierikzee, een van de mosselstadjes in Zeeland. De manier waarop er hier fossielen worden verzameld is uitzonderlijk. Al meer dan vijftig jaar varen mosselvissers Jaap en Wim Schot één keer per jaar naar de diepe geulen van de Oosterschelde om in gezelschap van een aantal wetenschappers en andere geïntereseerden te vissen naar fossielen. Overal ter wereld worden fossielen opgegraven of uitgehakt, maar hier worden ze op een heel aparte manier gevonden: ze worden met netten van de zeebodem omhooggehaald. Wetenschappers en fossielenamateurs hebben zich verenigd in het genootschap Kor en Bot, dat onder voorzitterschap staat van de burgemeester van Schouwen-Duiveland. John de Vos, conservator fossiele macrovertebraten van Naturalis vervult jaarlijks de rol van expeditieleider. Jaap Schot stelt elk jaar zijn schip beschikbaar, de mosselkotter ZZ10. Traditiegetrouw gaat ook elk jaar een fles jenever mee, waarmee geproost wordt na het vinden van het eerste bot.
De hele collectie gaat naar het depot van Naturalis, waar de intussen een enorme verzameling Oosterscheldemateriaal veilig ligt opgeslagen. Op één stuk per jaar na: het is traditie dat er tijdens het diner één interessante vondst wordt overhandigd aan de burgemeester, die het vervolgens weer doorgeeft aan de conservator van het Maritiem Museum van Zierikzee.
De Zeeuwse ondergrond bestaat uit dikke lagen marien sediment. In de bodem zitten zand- en kleipakketten waarin veel fossielen van mariene levensvormen te vinden zijn. Boven deze zand- en kleipakketten, op zo'n 40 à 50 meter diepte, bevindt zich een laag van continentale oorsprong, de formatie van Tegelen. Deze kleilaag dankt zijn naam aan het gelijknamige Noord-Limburgse plaatsje Tegelen (de Tiglienlaag), waar begin vorige eeuw al fossiele zoogdieren werden opgegraven in de kleigroeves. Onder Schouwen-Duiveland zit de Tiglienlaag te diep om erin te kunnen graven. De enige plekken waar je iets kan vinden bevinden zich onder water. In twee vijftig meter diepe geulen in de Oosterschelde, het Gastenputje en het Olifantenputje, komt de formatie van Tegelen aan de oppervlakte. De stroming van het water neemt de klei en zanddeeltjes uit het sediment mee en de zwaardere botten blijven op de bodem achter, klaar om opgevist te worden.
De fossielen die in de loop van vijftig jaar zijn opgevist geven een goed beeld van het dierenleven in het Tiglien. In de begindagen van Kor en Bot werden alleen botten van grote zoogdieren opgevist; fossielen van kleine dieren werden nooit gevonden. Dit kwam door de maaswijdte van de mosselkorren: de botjes van kleine zoogdieren bleven niet in de netten hangen. Dit betekent natuurlijk niet dat de fauna van twee miljoen jaar geleden alleen uit grote dieren bestond. Joop van Veen van het Teylers Museum in Haarlem bracht hier verandering in. Hij begon het 'muizenbuizenproject'. Hij hing twee stalen buizen (de 'muizenbuizen') aan de mosselkorren, waarmee het sediment tijdens het vissen van de bodem werd geschraapt. Aan boord werd dit sediment gezeefd en doorzocht. Het fijnste sediment werd meegenomen naar huis en daar tot op de kleinste korrel uitgeplozen. De muizenbuizen hebben al meerdere kiezen uit de klei getrokken, onder meer van woelmuizen, spitsmuizen en watermollen.
In de loop van vijftig jaar is een groot aantal verschillende zoogdieren uit de Oosterschelde opgevist. Hieruit kan worden opgemaakt dat er twee soorten olifanten leefden: de zuidelijke mammoet en de mastodont. De Oosterschelde is de belangrijkste vindplaats van kiezen van de mastodont ter wereld. Verder bestond de fauna uit twee soorten herten, paardens, varkens, hyena's en sabeltandtijgers. Het is niet helemaal duidelijk hoe lang geleden deze fauna hier leefde. Voorlopig gaat men ervan uit dat de fossiele fauna van de Oosterschelde een ouderdom heeft van 1.9 miljoen jaar.
Deze fauna wordt ook wel de 'zwartebottenfauna' genoemd, vanwege de kleur van de opgeviste botten. Door het fossilisatieproces verandert de samenstelling van een bot en wordt het donkerder. Dit kan onder zuurstofloze omstandigheden in korte tijd gebeuren. De kleur van de botten zegt echter alleen iets over het fossilisatieproces, niet over de ouderdom. Toch staat vast dat de botten uit de Oosterschelde oud moeten zijn. Ze zijn namelijk versteend, een proces waar honderdduizenden jaren overheen gaan. Als je met een hard voorwerp tegen een Oosterscheldebot tikt, hoor je een hoge klank, het bewijs dat de botten zwaar gemineraliseerd en dus oud zijn.
- Jelle Reumer, Natuurhistorisch Museum Rotterdam (bewerking Madelein Wiertz & Jody Mijts, Naturalis)