Bij Miste, in de Achterhoek, is een buitengewoon rijke mariene fauna te vinden. De botten, fossielen en schelpen die hier worden gevonden stammen uit het Mioceen. In deze fauna zijn schelpen te vinden die veel lijken op de schelpen die vandaag de dag op tropische stranden tegenkomen.
Een fossielenwerkgroep die een belangrijke rol speelt in dit verhaal is de Werkgroep voor Tertiaire en Kwartaire Geologie (WTKG) Deze is in 1963 opgericht als voortzetting van de al langer bestaande groep jonge amateurgeologen. De WTKG begon zich bezig te houden met het systematisch uitkammen van Tertiaire vindplaatsen. Aan hen hebben wij dan ook een hoop vondsten te danken.
De vindplaats Miste is een afgegraven weiland in de Achterhoek. Bij toeval trof de amateurpaleontoloog Henk Kolstee daar in 1968 groenzanden aan nadat de plaatselijke boer daar een put had gegraven. Het onderzoek naar het Tertiair kreeg door deze vondst een impuls. In de zanden zaten namelijk goed geconserveerde schelpen. Vanaf 1968 zijn er grote hoeveelheden schelpen uit de groenzanden van Miste verzameld. In de paasvakantie van 1986 werd nog eens veertig kubieke meter sediment omhoog gehaald. Het materiaal moest ter plekke worden gezeefd en goed worden gedroogd, omdat de fossielen anders zouden vergaan. In het sediment zit namelijk pyriet, dat bij blootstelling aan lucht en water zwavelzuur vormt, dat vervolgens de schelpen oplost.
Sinds die eerste opgraving in 1968 zijn er nog vele andere geweest, vaak op initiatief van de WTKG of de Nederlandse Geologische Vereniging (NGV). De vondsten uit deze opgravingen liggen opgeslagen in het Natuurhistorisch Museum Rotterdam, in Naturalis, in Museum Freriks te Winterswijk en bij vele verzamelaars thuis. De laatste keer dat men in Miste terecht kon was in september 2004. Onder leiding van de WTKG is toen een laatste ontsluiting gegraven waar de leden van deze vereniging op het landgoed van Henk Berenschot terecht konden. Niet alleen Nederlandse fossielenamateurrs grepen hun kans om te zoeken, ook liefhebbers uit België, Frankrijk, Denemarken en zelfs Groot-Brittannië kwamen over. Organisator van de laatste twee opgravingen was WTKG-er Stef Mermuys. Hij was in de voorlaatste Miste-actie in 2003 de gelukkigste vinder: hij vond een tand van Carcharocles megalodon en twee tanden van de zeldzame tandwalvis Squalodon.
De fauna van Miste is zeer rijk. Dit is duidelijk te zien als we het aantal gevonden weekdiersoorten afzetten tegen dat in de huidige Noordzee (501 versus ongeveer 250 soorten). In de periode waarin het sediment in Miste werd afgezet was het een stuk warmer en was de zee subtropisch. Hij was vermoedelijk niet meer dan enkele tientallen meters diep en er was weinig invloed van golven en stromingen. In dit kalme milieu konden dunschalig weekdiersoorten, kreeftachtigen, foraminiferen, beenvissen en kraakbeenvissen goed fossiliseren.
De Vlijt en Hoop zijn twee andere vindplaatsen in de Achterhoek. Deze behoren, samen met Miste, tot de weinige vindplaatsen waar schelpen te vinden zijn. Overigens zijn er in de Achterhoek nog veel andere Tertiaire fossielenvindplaatsen.
Kleigroeve de Vlijt is ontstaan door steenfabrieken die klei wonnen voor de fabricage van bakstenen. Het sediment van De Vlijt is van Oligocene ouderdom, een stuk ouder dus dan het Miocene sediment van Miste. Helaas wordt de omgeving van de Vlijt niet goed onderhouden. Er is zelfs een vuilstortplaats te vinden. Ook wordt er in de omgeving veel met bulldozers gegraven. Deze woelen de fossielhoudende lagen om, waardoor fossielen uit verschillende tijden door elkaar komen te liggen en de wetenschappelijke waarde van de vondsten minder wordt. In de Vlijt zijn onder andere tweekleppige weekdieren, nautilusschelpen, haaientanden , gipskristallen en verschillende brokken zwerfsteen gevonden.
Naast de steenfabriek ligt in Groenlo kleigroeve de Hoop, met sediment van Laat-Miocene ouderdom. Deze groeve is vernoemd naar de naastgelegen steenfabriek, maar tegenwoordig heten de groeves van de steenfabriek De Leemputten. In de kleigroeve werd tot 1931 met de schop gedolven. Daarbij kwamen veel fossiele botten onbeschadigd te voorschijn die soms bewaard werden, maar des te vaker werden weggegooid of vermalen tot kunstmest. Na 1931 is een systeem ingevoerd met een lopende band en schraapbakken, waarbij de kwetsbare fossielen meteen verloren gingen.
Evenals andere vindplaatsen van Laat-Miocene ouderdom worden hier fossielen van vele soorten mollusken en walvisachtigen gevonden. Dat komt omdat in het Laat-Mioceen de kust ongeveer ten hoogte van de grens met Duitsland lag; waar ooit walvissen aanspoelden, llopen nu wandelpaden in een prachtig bosrijk natuurgebied.
- Jelle Reumer, Natuurhistorisch Museum Rotterdam (bewerking Nicky Onrust & Jody Mijts, Naturalis)