Dagelijks staan in Langenboom verzamelaars tot hun middel in de modder met enkel een zeef. Ze zijn op zoek naar haaientanden, maar komen ook walviswervels, dolfijnschedels en andere fossielen tegen.
Langenboom is een dorpje in het oosten van Noord-Brabant, ongeveer twintig kilometer iets ten zuiden van Nijmegen. Hier ligt recreatieplas De Kuilen. Uit de plas wordt met behulp van een zandzuiger groenzand gewonnen voor de wegenbouw. Het zand wordt opgezogen en via een enorm pijpenstelsel in een omdijkt bassin opgespoten. Waar de modder uit de pijp stroomt, staan dagelijks mannen en een enkele vrouw tot hun middel in de modder. Met behulp van een zeef zoeken zij naar haaientanden, walviswervels, dolfijnenschedels en andere fossielen, die met het zand mee omhoog zijn gekomen. Deze fossielen komen uit het Mioceen en het Plioceen.
Langenboom ligt bovenop de Peelhorst. Hier zijn tektonische krachten actief die de aardlagen omhoog duwen, zodat deze dicht aan de oppervlakte komen. Op de top van de Peelhorst zijn zogeheten groenzanden te vinden, die worden gebruikt voor de wegenbouw. Deze groenzwarte glauconiethoudende zanden zijn in Mioceen en Plioceen in een niet al te koude zee afgezet. Glauconiet is een geelgroen tot groen mineraal dat zeer vaak gevormd wordt door verwering van biotiet in ondiep zeewater. Tussen het zand bevinden zich bijzondere fossielen van zeedieren.
De zandwinning bij Langenboom heeft als voordeel dat alles wat wordt opgezogen op het land wordt gespoten. De gehele lading zand inclusief fossielen wordt via een honderden meters lang pijpenstelsel overgebracht van de bodem van de plas naar het opspuitterrein aan de rand ervan. Het opgezogen wordt in twee grote aarden bakken gespoten, die beide een grootte hebben van enkele voetbalvelden. In de bak kan het groenzand bezinken. Zodra hij vol is, wordt de bak leeggegraven en wordt tegelijkertijd de tweede volgespoten.
Aan het eind van de pijp, waar de modder uitstroomt, staan de verzamelaars geduldig te wachten met hun zeef in de aanslag. Het groenzand gaat door de mazen van de zeef, de fossielen blijven erin achter. Het is een proces dat oneindig doorgaat. Het is zeven, even wachten, de inhoud uitzoeken, fossielen bewaren, de rest wegkiepen, weer zeven, enzovoort, een proces waar moeilijk mee is op te houden. 'Eenmaal begonnen met zoeken ben je verkocht', aldus Hansjorg Ahrens, medewerker van Naturalis. Kasten en planken in zijn huis liggen intussen vol met vogelbotjes, haaientanden, schelpen en vele andere fossielen.
In Langenboom is een grote diversiteit aan resten van vroeger leven naar boven gekomen. In totaal meer dan tweehonderd soorten schelpdieren, vierendertig soorten vogels, negen soorten kreeftachtigen en meer dan dertig soorten haaien en roggen aangetroffen, maar ook meer dan dertig soorten beenvissen, ruim twintig soorten walvissen en dolfijnen, een uitgestorven walrus, vier zeehondensoorten en enkele soorten landzoogdieren. Van de landzoogdieren zijn in Langenboom slurfdieren, een beer, een varken, een hert en onlangs nog een tapir ontdekt.
Vogelfauna
De fossiele vogels van Langenboom zijn onderzocht door bioloog Erik Wijnker van de Universiteit Wageningen. Door bij amateursverzamelaars langs te gaan heeft hij enkele honderden vogelbotjes bijeengebracht. In de vogelfauna in Langenboom ontdekte hij zeven soorten uit het Mioceen en zesentwintig uit het Plioceen. Het Mioceen telt allemaal pelagische soorten (dieren van open zee): twee soorten alken en vijf soorten jan-van-genten. Uit de Pliocene vogelfauna van Langenboom zijn onder andere drie ganzen en lijsterachtige aangetroffen. Daarnaast zijn er alken, albatrossen, pijlstormvogels, eenden en één botje van een zeeduiker. Deze samenstelling van de vogelfauna maakt het waarschijnlijk dat Langenboom tijdens Mioceen en Plioceen open zee was. Toch moet land niet al te ver uit de buurt geweest zijn. Er zijn immers ook landvogels gevonden, zoals ganzen. Daarnaast wijzen de vondsten van landzoogdierfossielen ook op vaste grond niet al te ver uit de buurt. Op veel vogelbotjes zijn duidelijke krassen te zien: vraatsporen van haaien die met hun scherpe tanden aan de vogels hebben geknaagd. Langenboom heeft nieuwe kennis opgeleverd over de vogeldiversiteit in Plioceen en Mioceen. In totaal zijn er negentien vogelsoorten gevonden die nog niet eerder in Europa waren aangetroffen. hieronder bevonden zich vier alkensoorten die nieuw zijn voor de wetenschap.
Dolfijnen
Naast de diverse vogelfauna van Langenboom is er een grote hoeveelheid gehoorbotjes van dolfijnen en walvisachtigen gevonden. Het gaat om botjes uit het binnenoor die het evenwichtsorgaan en het gehoororgaan omhullen. De botjes zijn ongeveer 2-4 centimeter en zeer hard. Hierdoor zijn goed bewaard gebleven. Het is lastig om aan de hand van deze botjes de dolfijnen en walvissen tot op soort te identificeren, maar determinatie tot opfamilieniveau is wel mogelijk. Er zijn meer dan driehonderd gehoorbeentjes gevonden, alle van verschillende typen en afmetingen. Op grond van het beschikbare materiaal denkt men dat het om minimaal acht dolfijnfamilies gaat. Behalve gehoorbotjes zijn er ook schedels en delen daarvan gevonden, bijvoorbeeld van de kortsnuitdolfijn (Protophocaena minima), familie van de Chinese en Zuid-Amerikaanse rivierdolfijnen. Inmiddels is Langenboom voor deze soort de belangrijkste vindplaats ter wereld.
Na ruim 25 jaar van modderopspuitingen is Langenboom intussen een van de rijkste vindplaatsen op het gebied van dolfijnen. Zo is er bijvoorbeeld een vondst gedaan van de snuit van een spitssnuitdolfijn. Een spectaculaire vondst was die van een schedel van vijftig centimeter lang, van de bodem van de plas opgedoken door Nico Taverne uit Mill.
Roermond, Uden en Venlo liggen in een tektonisch actief gebied; er zijn dus wel eens aardbevingen. De ondergrond bevindt zich namelijk tussen een dalend en een stijgend gebied. De Peelhorst maakt deel uit van het stijgende gebied. Doordat de verschillende aardlagen omhoog zijn gekomen en de bovenste lagen vervolgens geërodeerd zijn, zijn de oorspronkelijk diepere lagen, waar we normaliter niet bij zouden kunnen komen, aan de oppervlakte komen te liggen. Aldus zijn bij Langenboom Pliocene en Miocene bereikbaar geworden, lagen die elders in Nederland soms op honderden meters diepte liggen.
Ook in Liessel, veertig kilometer ten westen van Langenboom, is een zandwinningsput waar verschillende fossielen uit het Mioceen en het Plioceen worden gevonden. In Liessel wordt het zand echter door middel van grote grijpers opgepakt en op transportbanden vervoerd naar grote zeefinstallaties. Hierdor zijn in Liessel meer fossielen verlorengegaan.
Sinds 1996, toen de zandwinning in Langenboom grootschaliger werd aangepakt, vinden verzamelaars dagelijks enorme hoeveelheden fossielen. Elk fossiel is een stukje van een puzzel die informatie geeft over de oertijd. De haaientandzevers in Langenboom rapen dus onderdelen van een verhaal bijelkaar. 'Ze werken aan de geschiedenis van hun eigen geboortegrond', vindt Hansjorg Ahrens. Omdat de verzamelaars er elke dag staan en veel bijzondere dingen vinden zijn ze de oren en ogen van de wetenschap. Langenboom is intussen bekend in de hele wereld en staat in Europa bekend als een van de allerbeste en meest productieve vindplaatsen van het Mioceen en Plioceen.
- Jelle Reumer, Natuurhistorisch Museum Rotterdam (bewerking Jennifer Helversteijn & Jody Mijts, Naturalis)