ZOEKEN

MEER

Bekijk alle in het overzichtNaar overzicht»

DWARSDOORSNEDEN

In Google Maps

Maak een doorsnede»

FOSSIELVONDSTEN

Fossielen op de kaart van Nederland

Bekijk de kaart»
Geologie van Nederland
is een initiatief van

Het Krijt van Zuid-Limburg

Tijdens het Laat-Krijt waren Zuid-Limburg en een groot gebied eromheen bedekt door een ondiepe tropische zee. Zuid-Limburg in de tijd van het Krijt kan vergeleken worden met de zee rond de Bahama's nu. Restanten uit dit tijdperk worden nog dagelijks aangetroffen. De meest vooraanstaande vindplaats in Nederland is de ENCI-groeve in de Sint Pietersberg. De mergelgroeve van de Eerste Nederlandse Cement Industrie (ENCI), waar kalk gewonnen wordt, is in handen van een van Europa's cementgiganten, de HeidelbergCementGroup. In de groeve is een grote diversiteit van afzettingen te vinden. Krijtrotsformaties die je tegenwoordig verder alleen in het buitenland vindt en vuursteenbanken van ongekende omvang zijn in de groeve te zien. Deze diversiteit is volgens meerdere wetenschappers toe te schrijven aan het verschil in zeeniveau, sedimentatiesnelheid, samenstelling van het sediment en de stand van de aardas ten opzichte van de inkomende zonnestralen gedurende het Laat-Krijt. Het Krijt was warm en de zee was vol leven - merkwaardig leven, zo blijkt uit de gevonden fossielen.

De mosasaurus

Mosasaurus hoffmanni.

De meest raadselachtige dieren die in Zuid-Limburg aan het daglicht zijn gekomen zijn toch wel de Mosasaurus hoffmanni en de Prognathodon saturator. Zij roepen het beeld op wat de meeste mensen hebben van sauriërs: groot en voorzien van een afschrikwekkend gebit.

 

De eerste Mosasaurus hoffmanni is in 1766 in de Sint Pietersberg gevonden. Het beest kreeg zijn naam dankzij de arts en wetenschapper dr. Hoffmann, die dacht dat de fossielen toebehoorden aan een krokodillensoort. Dit exemplaar van M. hoffmanni was niet helemaal compleet, maar de schedel met onderkaken lieten verder weinig aan de verbeelding over. Deze schedel kan tegenwoordig bewonderd worden in het Teylers Museum in Haarlem.

 

Het is echter het tweede exemplaar van M. hoffmanni dat legendarisch geworden is. Dit exemplaar, gevonden tussen 1770 en 1774, werd in 1795 door de Franse overheid meegenomen naar Parijs. De beroemde geleerde Georges Cuvier bewees aan de hand van dit exemplaar dat de wereld ooit werd bewoond door inmiddels uitgestorven diersoorten. Dit tweede exemplaar is te zien in het natuurhistorisch museum in Parijs en is uitstekend geconserveerd. In ons eigen land hebben we slechts een gipsen afgietsel, dat als tegemoetkoming door de Fransen aan ons is afgestaan.

 

De meest spraakmakende vondst is toch wel Bèr, een mosasaurusachtige die in 1998 in de ENCI-groeve gevonden werd en die nu in een grote glazen vitrine ligt in het Natuurhistorisch Museum Maastricht. Bèr  kreeg pas zijn wetenschappelijke naam - Prognathodon saturator - op 7 maart 2002, toen bleek dat Bèr niet verwant was aan de Mosasaurus hoffmanni, maar een nieuwe soort was. De soortnaam saturator betekent zowel bevrediging als verzadiging. Prognathodon saturator betekent dus zoiets als dier met vooruitstekende tanden dat bevrediging geeft. De bevrediging staat voor het plezier dat de onderzoekers aan het dier beleefden, de verzadiging op het feit dat de dode mosasauriër na zijn dood een feestmaal was voor aasetende haaien. Op de botten van Bèr zijn nog duidelijk de gevolgen van haaienvraat duidelijk zichtbaar. Mosasauriërs worden ten onrechte vaak met dinosauriërs verward, maar ze zijn nauwer verwant aan hagedissen en slangen.

 

Binnen de groep van reptielen behoren de mosasauriërs tot de groep die zich kenmerkt door het bezit van twee openingen in de achterste helft van de schedel. Deze openingen worden temporaalopeningen genoemd. Ze zijn terug te zien bij de mensen als de slapen. Ook de nu nog levende krokodillen, hagedissen en slangen hebben deze openingen. Schildpadden zijn een voorbeeld van dieren zonder temporaalopening. Tegenwoordig bestaat de groep van de hagedissen voor negenennegentig procent uit kleine dieren. Ze leven allemaal op het land, maar sommige kunnen zwemmen. Mosasauriërs waren hagedissen die permanent in het water leefden en zij werden veel groter. De Nederlandse benaming Maashagedis wil niet zeggen dat het dier in de Maas zwom, want die rivier bestond toen immers nog niet; het verwijst naar de vindplaats, die pal langs de oever van de Maas ligt.

Haaien en schildpadden

Allopleuron hofmanni in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen.
De mergel van de Sint Pietersberg heeft naast de mosasaurusachtigen ook informatie onthuld over andere dieren uit het Krijt. Rond het skelet van Bèr zijn onder andere tanden gevonden van de haaiensoorten Squalicorax pristodontus en Plicatoscyllium minutum. Een bezoek aan de ENCI-groeve kan leiden tot de vondst van enkele van deze haaientanden. Ook zijn er in de Limburgse mergel fossielen van schildpadden gevonden. In 1931 is een exemplaar gevonden die luistert naar de naam Allopleuron hofmanni. Deze soort, die anderhalve meter lang kon worden, had een hartvormig rugschild.

Vogels en zoogdieren

Ichthyornis.

De grote vraag was of er naast reptielen en vissen ook vogels en misschien zelfs zoogdieren gevonden zouden worden in het Krijt. Men weet dat deze soorten in die tijd ook op aarde aanwezig waren. In 2002 werd er een Krijtvogel ontdekt die verwant zou zijn aan de Amerikaanse Krijtvogels van het geslacht Ichthyornis. Met deze vondst heeft Nederland zijn 'eigen Krijttandvogel' gekregen. Hoewel het skeletje uit de kalksteengroeve van CBR-Romontbos in België is gehaald, is het wel een exemplaar uit de tijd van de Maastrichtien, de laatste periode van het Krijttijdperk.

 

Een andere vondst, deze keer uit de ENCI-groeve, duidde op een zoogdier. Er werd één kies van een minuscuul buideldiertje gevonden. Het kiesje is slechts 1,85 mm breed en 1,36 mm lang. Dit kleine zwarte fossiel is het enige Krijtzoogdier van ons land. Samen met de schildpadden, vissen, haaien, mosasauriërs en het vogeltje vormt hij de afdeling gewervelden uit de rijke Limburgse Krijtfauna.

John Jagt

John Jagt in de kalksteengroeve Curfs.

Een expert op het gebied van het Krijt is John Jagt. Hij is als paleontoloog werkzaam in het Natuurhistorisch Museum van Maastricht. Op de lagere school raakte hij geïnteresseerd in fossielen. Hij moest en zou paleontoloog worden en nodigde zichzelf dan ook meerdere malen uit in groeves en bij verzamelaars thuis. Na in Nijmegen Engelse taal- en letterkunde gestudeerd te hebben, ontving hij in 1989 de Van der Lijn-onderscheiding, de belangrijkste Nederlandse prijs voor amateurgeologen en paleontologen. Hij kwam in aanraking met de gedreven paleontologen Bert Boekschoten en Jan Smit, hoogleraren aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Na tussen 1994 en 1998 zijn paleontologisch proefschrift geschreven te hebben, kwam hij terecht bij het Natuurhistorisch Museum van Maastricht. Hij promoveerde bij prof. Broekschoten op de VU op een standaardwerk ter dikte van een fors telefoonboek. Hierin behandelde hij de stekelhuidigen van het late Krijt en het vroegste Tertiair. Naast grote zee-egels werden ook de afzonderlijke en vaak minuscule, zeventig miljoen jaar oude kalkfragmentjes van de dunne sliertarmpjes van slangsterren behandeld. Dit oog voor detail toont de vakkundigheid van John Jagt.

 

- Jelle Reumer, Natuurhistorisch Museum Rotterdam (bewerking Tim Semeijn & Jody Mijts, Naturalis)

Krijtgroeves

Meer vindplaatsen